Chinees 19e eeuws porselein

De 19de eeuw van de Chinese Qing-dynastie (1644-1912) kruiste de regeerperiodes van de keizers Jiaqing (1796-1820), Daoguang (1821-1850), Xianfeng (1851-1861), Tongzhi (1862-1874) en Guangxu (1875-1908). Ook in de 19de eeuw wordt het Chinese porselein onderverdeeld aan de hand van de regeerperiodes van de keizers. Onder keizer Jiaqing bestond er grotendeels een voortzetting van het voorgaande Qianlong-porselein. Er was geen grote vernieuwing ten opzichte van de late Qianglong vazen, borden en theepotten. Ook onder keizer Daoguang spreekt men over een verder verval qua creativiteit. Onder de keizers Xia, Tongzhi en Guangxu heerste er politieke onrust, die ook een effect had op de porseleinproductie. In 1855 namen rebbelen de stad Jingdezhen in en werden de keizerlijke pottenbakkerijen afgebrand. Jingdezhen was echter niet de enige belangrijke productieplaats. Zo werden er in Dehua en in commerciële productiecentra ook Chinese vazen, borden en theepotten geproduceerd. Ondanks dat men in de literatuur vaak spreekt over gebrek aan vernieuwing en kwaliteit vanaf de 19de eeuw, werd er ook heel wat kwalitatief Chinees porselein geproduceerd. Dat men keek naar voorgaande periodes, betekent dan ook dat er een assimilatie was van een rijkheid aan technieken, materialen en decoratie. Een expert kijkt daarom naar de samenhang van de kenmerken van het Chinese 19de eeuws porselein om de waarde te bepalen. Heel wat Chinese vazen, borden en theepotten met of zonder stempel of merkteken uit de 19de eeuw zijn van goede kwaliteit.